De islam (Arabisch: الإسلام (al-islām); Perzisch: اسلام)  is een religie die stelt dat er maar één God is. De islam is één van de drie grote(re) zogenoemde Abrahamitische religies (waaronder ook het jodendom en christendom). Het Arabische woord islam betekent letterlijk: overgave aan God of onderwerping. Volgens deze definitie waren bijvoorbeeld Adam, Ibrahim (Abraham) en Isa (Jezus) moslims. Zij worden op basis van de Koran anīf genoemd(onder andere soera De Koe 135-136) –  een voor-islamitische monotheïst en Godzoeker. Het woord moslim wijst op het fundamentele, religieuze principe dat moslims zich overgeven aan Gods wil en wetten, oftewel de Sharia.

De Koran is voor moslims het heilige boek. God heeft volgens hen de tekst via de aartsengel Djibriel (Gabriël) aan Mohammed als profeet en boodschapper doorgegeven. Naast de Koran is de soenna van Mohammed, waarin de levenswijze, de gezegden en de standpunten van de profeet worden beschreven, ook een belangrijke bron voor islamitische leerstellingen (Wikipedia).

Westerse visie

De moderne wetenschappelijke geschiedschrijving probeert het verleden te reconstrueren door gebruik te maken van op betrouwbaarheid getoetste archeologische vondsten en tekstkritisch getoetste schriftelijke bronnen. Westerse onderzoeken komen, met deze werkwijzen, meestal tot andere conclusies betreffende de vroeg islamitische periode dan de traditionele islamitische visie hierop (Wikipedia).

Vroege islam: westerse alternatieve gezichtspunten

Het artikel ‘Vroege islam: westerse alternatieve gezichtspunten’ verwijst naar het bestuderen van het ontstaan van de islam op basis van kritische analyse, evaluatie en onderzoek van authentieke, primaire bronnen alsook het plaatsen van deze bronnen in een zich in de tijd afwikkelende verhaallijn die onderworpen kan worden aan wetenschappelijke methoden van kritiek (Wikipedia).

Historisch problematische periode

Een aantal westerse auteurs zijn tot de conclusie gekomen dat de traditionele, islamitische versie van de vroege geschiedenis van de islam (ca. de zevende eeuw na Christus) als problematisch beschouwd kan worden en niet strookt met archeologische en geschiedkundige bevindingen. De eerste schriftelijke islamitische bronnen dateren uit een tijdsbestek, wat ongeveer 100-150 jaar na de gebeurtenissen ligt, waar ze naar verwijzen. Er zijn heel weinig primaire bronnen uit de periode zelf. Mohammed als persoon wordt in geen enkel geschrift uit de tijd zelf beschreven, terwijl in die tijd de wereld al wel gealfabetiseerd was. Er zijn enkele geschriften en inscripties uit die tijd waarin de islamitische opmars wordt beschreven. De archeologische data zijn vaag. De geschiedenis van de islam lijkt dus in eerste plaats mondeling te zijn overgeleverd tot ruimschoots na het begin van het Abassidisch kalifaat – na 750 jaar na Christus). Hierna werden pas de overleveringen door islamitische geleerden geschrift en definitief geredigeerd. Dit deden zij in een extreem gepolitiseerde context, vlak na de omverwerping van de Omajjaden-dynastie en terwijl de groepen waaruit later de soennieten en sjiieten zouden ontstaan, naar buiten kwamen met rivaliserende versies van de geschiedenis van de islam. Westerse niet-moslims geleerden van nu hebben – in tegenstelling tot islamitische geleerden – weinig vertrouwen in het werk van de Abassidische historici en benaderen de klassieke islamitische verhalen met wisselende mate van omzichtigheid. Deze geleerden zijn zich sterk bewust van de politieke schatplichtigheid van (vaak Abassisdische) geleerden. Een groot probleem vormt het gegeven dat de archeologie van het Arabisch Schiereiland volledig op slot zit door de opstelling van de (moslim-) machthebbers ter plaatse (Wikipedia).

Alternatieve westerse gezichtspunten

De eerste westerse wetenschappelijke betrokkenheid op de islam betreft meestal christelijke en joodse vertalers en commentatoren. Zij vertaalden de gemakkelijk te verkrijgen soennitische teksten in gangbare Europese talen. Het betreft hier de laat negentiende eeuw en vroege twintigste eeuw. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw verscheen een generatie van sceptische geleerden. Zij trokken veel van de, tot dat moment geaccepteerde wijsheid, in twijfel. Zij suggereerden dat de islamitische historische traditie bij de mondelinge overdracht op grove wijze was verminkt. Zij probeerden om de vroege geschiedenis van de islam te corrigeren – oftewel te reconstrueren – uit andere, naar wat men kan aannemen, meer betrouwbare bronnen zoals munten, inscripties en niet-islamitische bronnen. De eerste van deze groep was John Wansbrough (1928-2002). Hoewel niet onomstreden was hij in elk geval van belang omdat zijn scepsis navolgers vond bij een jongere generatie publicisten. Zij richten zich niet op de Hadith. De verhalen worden – indien mogelijk – geanalyseerd op politieke schatplichtigheid (vaak ook in stamverband) van de verteller ten aanzien van zijn onderwerp. Dit geeft dan ook inzicht in de tendentieuze kant van de inhoud van het materiaal (Wikipedia).

Vroege geschiedenis islam: Patricia Crone

Crone en Cook hebben in 1977 ‘Hagarism: The Making of the Islamic World’ gepubliceerd, wat betoogde dat de traditionele versie van de vroege islam een geconstrueerde mythe is die pas vorm heeft gekregen na de verovering van Egypte, Syrië en Perzië. Deze mythe was als ideologische ondersteuning en rechtvaardiging van het Abassidische regime, ruim een eeuw na het veronderstelde optreden van Mohammed geschreven. De na de Arabische veroveringen geschreven Koran was niet de ‘drijfveer tot’ maar het ‘gevolg van’ die veroveringen. Het bewijs van Crone en Cook betreft voornamelijk niet-islamitische bronnen, waarin de vroege geschiedenis van de islam wordt beschreven. Vooral omdat dit werk zich volledig onafhankelijk maakt van alle moslimtradities heeft het een grote invloed gehad. De vraag is echter in hoeverre deze beide auteurs nu nog achter die standpunten staan. Beide auteurs hebben te maken gehad met felle reacties uit de moslimswereld. Ali Khan claimt in 2006 dat zij hun werk hebben herroepen. De beide auteurs ontkennen noch bevestigen dat zelf (Wikipedia).

In haar boek ‘Meccan Trade And The Rise of Islam’ stelt Crone: Wat te denken als een verteller een rooftocht zou noemen, de volgende vertelt je de precieze datum en de derde heeft nog meer details? De in 823 overleden Waqidi is een historicus die jaren na Ibn Shaaq – die overleden is in 768 – altijd precieze data, omstandigheden en dergelijke opsomde die volledig ontbreken bij Ibn Shaaq. Mensen moeten dan wel aannemen dat al deze aan Ibn Shaaq onbekende informatie vals is. En als binnen twee generaties zoveel onjuiste informatie accumuleert, dan is het moeilijk om aan de conclusie te ontkomen dat zich nog meer onjuiste informatie moet hebben opgestapeld in de drie generaties tussen de Profeet en Ibn Inshaq (Wikipedia).

Opschriftstelling Koran: Puin en Luxenberg

De stelling dat de Koran pas laat in de vroege geschiedenis van de islam is geschreven, en vervolgens ook uitvoerig geredigeerd, wordt ondersteund door de ontdekking in 1972 van oude Korans in een moskee in Sanaa in Jemen. De Duitse geleerde Gerd. R. Puin onderzoekt deze Koranfragmenten als sinds jaren. Zijn onderzoeksteam maakte 35.000 foto’s – op microfilm – van de manuscripten. Puin heeft tot op de dag van vandaag zijn werk nog niet volledig gepubliceerd, maar hij heeft wel al verteld dat het om twee versies van de tekst gaat, die over elkaar heen zijn geschreven. Dit rijst meteen de vraag of de Koran dan daadwerkelijk onveranderlijk is gebleven, zoals moslims geloven. Hij heeft de documenten gedateerd in de vroege achtste eeuw.

Luxenberg (pseudoniem) is een Duits geleerde ten aanzien van Semitische en Aramese talen. Hij publiceerde ‘The Syro-Aramaic Reading of the Qur’an’ waarin hij betoogt dat de Koran veel dubbelzinnige, zo al niet volledig onbegrijpelijke taal bevat. Toegeven dat er onzin in staat is voor moslimgeleerden geen optie: zij schrijven kasten vol met commentaren. Westerse niet-moslim geleerden doen dit gedrag na, waarbij zij al te gemakkelijk vertrouwen op het werk van moslimgeleerden. Luxenberg suggereert dat arabisten de oude moslimcommentaren moeten negeren en zich moeten houden aan in het Westen aanvaarde linguïstische en historische methodieken. Mohammed bracht materiaal naar zijn toehoorders, die voor hen nieuw waren en die hij had opgedaan in gesprekken met Arabische joden en christenen in Mekka en met de Syrische christenen waar hij heen gereisd was. Als een bepaalde Korantekst onbegrijpelijk of duister blijft, dan blijkt het nuttig om die tekst te lezen als het ware Syrisch of Aramees. Ten tijde van de opschriftstelling was het Syrisch-Aramees de geschreven taal. Het Arabisch als schrijftaal bestond destijds nog niet. Het als Syrisch-Aramees lezen geeft op veel plaatsen vaak een veel begrijpelijkere tekst. Luxenberg suggereert tevens dat de Koran op oudere teksten gebaseerd is, namelijk op in de Syrisch orthodoxe kerk gebruikte (Syrisch-Aramese) lectionaria. Volgens collega’s schiet Luxenberg wel eens te ver door in zijn redeneringen, maar zij zijn er tevens eens over dat zijn filologische benadering aandacht verdient en soms tot verrassende inzichten leidt (Wikipedia).