Zoeken

De wereld van Anna

Tag

Alice

Chapter 3. Voor wat er nog van over is

Lees eerst Chapter 1. Nachtmerrie & Chapter 2. Felgroene ogen.

De woede van Christian grijpt me. Het snijdt me in mijn ziel. Ik voel zijn haat, zijn kwaadheid, zijn machteloosheid, zijn pijn en zijn verdriet. Ergens voel ik compassie en medelijden voor hem. Misschien heeft Christian ongelijk? Misschien ben ik zo sterk dat ik niet verander in een meedogenloos monster? Er lijkt geen einde te komen aan het geschreeuw dat door merg en been gaat. Ik kijk zwijgend toe. Het touw begint in mijn polsen te snijden. Christian smijt de kaars door de fabriekshal heen. Het wordt wederom zwart voor mijn ogen. De donkere fabriekshal brengt een gevoel van eenzaamheid bij me naar boven. Christian woont hier waarschijnlijk al langere tijd, helemaal alleen. Hoe houdt hij het vol? Als Christian uitgeraast is, durf ik alsnog geen woord uit te brengen. Ik ben bang dat ik iets verkeerds zal zeggen, waardoor hij wéér door het lint zal gaan. Ik weet inmiddels dat wat hij in de brieven schreef, waarschijnlijk geen onzin was. Het besef dat het inderdaad niet onmogelijk is, dat hij me zal vermoorden, komt keihard binnen. Bram zal nooit de kans krijgen om afscheid van me te nemen. Hij zal nooit weten wat er met mij is gebeurd. Hij zal nooit verder kunnen gaan, vanwege de onwetendheid waarmee hij de rest van zijn leven moet dealen. Ik had verdomme ook voorzichtiger moeten zijn. Ik had de vreemde dromen moeten negeren. Ik had…ik had…ik had… de tranen stromen over mijn gezicht. Ik kan mijn gesnik niet langer meer onderdrukken. Ik voel me zó intens verdrietig en zó alleen. Wat heb ik een puinhoop van mijn leven gemaakt. Ik voel dat Christian achter me is gaan staan. Hij zegt niets. Hij raakt me niet aan. Hij laat me huilen. Zou hij mijn verdriet ook zo intens voelen als dat ik zijn verdriet aanvoelde? Het lijkt alsof ik niet meer kan stoppen met huilen. De emoties zijn te heftig. Het voelt eigenlijk helemaal niet zo angstaandjagend meer aan als hij nu een eind aan mijn leven zou maken. Wil ik zo wel verder leven? Christian doet echter iets wat ik niet had zien aankomen. Hij maakt het touw los. ‘Ga Alice’, fluistert hij, ‘ga zo snel mogelijk hier vandaan en kom nooit meer terug’! Ik overpeins geen seconde en begin zo hard als ik kan te rennen. Achterom kijken is geen optie meer. Ik wil, ik moet hier weg! Met piepende banden rijd ik weg. De beschermende armen van Bram is het enige waar ik naar verlang.

Bram zit verslagen op de bank als ik de woonkamer binnen stap. Zijn ogen zijn rood en opgezet van het huilen. Wat moet hij bezorgd zijn geweest. Zwijgend ga ik naast hem zitten. Ik wil een arm om hem heen slaan, maar nu is hij degene die mijn arm weinig subtiel wegslaat. ‘Het spijt me’, zeg ik zachtjes. Ik schaam me diep, voor wie ik ben geworden, voor mijn gedrag en vooral omdat ik deze man, waar ik zielsveel van houd, zoveel pijn doe. Met de allermooiste bruine ogen van de hele wereld kijkt hij me verdrietig aan. ‘Ik kan dit niet lang meer aan, Alice’, zegt hij, ‘ik weet gewoon niet meer wat ik moet doen om jou te kunnen helpen. Je sluit me volledig van je af’. Ik knik. ‘Ik weet het, lieverd. Het is zo oneerlijk dat ik jou zo veel pijn doe. Echt, het spijt me met heel mijn hart’. Voor wat er nog van over is. Bram geeft aan dat hij moe is en nog een paar uurtjes gaat proberen te slapen. Het lijkt hem beter als hij op de bank slaapt. Hij moet even afstand van me nemen, zodat hij kan nadenken. Ik smeek hem om bij mij in bed te slapen. Ik vertel er niet bij dat ik doodangsten uitsta. De afgelopen weken zijn al heftig genoeg geweest voor hem. Hij kan dit er niet bij hebben. Hij wijst het af. Ik wil hem kussen, maar hij draait zich snel om. Het is misschien alleen maar beter voor hem, beter dat hij afstand neemt zodat hij niet hoeft toe te kijken hoe ik langzaam verander in alles wat ik mijn hele leven lang heb gehaat.

Chapter 2. Felgroene ogen

Lees eerst Chapter 1. Nachtmerrie.

In paniek begin ik om me heen te slaan. Opeens voel ik een keiharde klap tegen mijn hoofd. Meteen voel ik me duizelig. Ik voel bloed langs mijn gezicht stromen. Voordat ik me precies kan beseffen wat er is gebeurd, wordt het zwart voor mijn ogen…

Ik word vastgebonden in een stoel wakker. Het is nog steeds donker in de fabriekshal. Ik zie een gedaante recht tegenover me zitten. Het komt op me afgelopen. Ik voel een stroom van paniek en angst door mijn lichaam vloeien. ‘Beetje afgekoeld’, vraagt een mannenstem me. Er zit een prop in mijn mond en dit maakt het onmogelijk om terug te antwoorden. Ik probeer mijn ogen op hem te focussen, zodat ik kan zien wie of wat hij is. Hij steekt een kaarsje aan. Ik zie zijn gezicht. Het kaarslicht maakt hem eng. Zijn gezicht komt zo dichtbij dat ik zijn adem voel. Hij kijkt me met zijn felgroene ogen indringend aan. Ik kan mijn eigen ogen niet van zijn ogen afhouden. Hij haalt de prop uit mijn mond. Ik snak naar adem. De angst heeft me bevroren. Ik wil gillen, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Hij lacht duister. ‘Zo Alice, je hebt me eindelijk gevonden’, zegt hij grijnsend. ‘Christian’? De man kijkt me zwijgend aan. Ik zie dat hij me nauwlettend bestudeerd. ‘Ik had niet verwacht dat je zo mooi zou zijn’, zei hij. Ik zie dat hij een litteken op zijn gezicht heeft. Het loopt van zijn rechteroog tot aan zijn oor. Het is een knappe man, zo eentje waar tienermeisjes spontaan verliefd op zouden worden. Hij heeft krullend donker haar en zijn felgroene ogen doen menig vrouw, naar mijn vermoedens, het hart overslaan. Naast heel knap ziet hij er duister en vals uit. Het is het type badguy waar je uit de buurt moet blijven. Het voelt niet goed om zo dichtbij hem te zijn. Ik voel me onveilig. Het is een moment doodstil. ‘Het gesprek verloopt op dit moment nog niet zo goed hè, Alice’, zegt hij terwijl hij aan het ijsberen is. ‘Wat wil je van me’, vraag ik hem. Hij begint keihard te lachen. ‘Jij komt hier binnen vallen en nu vraag JIJ wat ik van jou wil? De vraag is wat jij hier komt doen’?! Hij komt weer dichterbij. Ik zie dat hij een mes vast heeft. Hij zet dit mes op mijn keel. Ik hap met moeite naar adem. ‘De nachtmerries’, haper ik, ‘Ik wil dat het stopt’. ‘Ik heb je duidelijk gemaakt dat je niet naar me toe moet komen’, fluistert hij in mijn oor. Christian is na de dag, die alles veranderde, brieven naar mij gaan schrijven. Brieven waarin de meest duistere verhalen stonden beschreven. Aanvankelijk had ik het als een zieke grap beschouwd, totdat wat er in zijn brieven stond waarheid begon te worden. Het waren waarschuwingen voor het lot wat me te wachten stond. In de loop van de tijd ben ik een soort van verbondenheid met Christian gaan voelen. Hij heeft me nooit verteld waar hij verbleef, maar toch wist ik precies waar ik wezen moest. Hij heeft me in zijn brieven uitdrukkelijk beveeld niet naar hem op zoek te gaan.  ‘Het is gevaarlijk, Alice. Kom niet naar me toe. Dit kan je dood worden’, had hij me geschreven. Ik ben echter niet meer bang voor mijn eigen dood. Mijn diepste angst  is dat ik zelf verantwoordelijk zal zijn voor de dood van iemand waar ik van houd. ‘Ik ben bang dat ik zelf iemand zal vermoorden, dus mijn eigen dood kan me niets meer schelen’, zeg ik hem. ‘Jij denkt te veel aan anderen en te weinig aan jezelf. Nou, dat zal in ieder geval snel gaan veranderen. Je hebt een deal gemaakt met de duivel, schat. Wat had je anders  verwacht? Dat je geen prijs hiervoor zou moeten betalen’? Ik weet precies wat hij bedoelt. Het maakt me verdrietig. Ik heb dit inderdaad helemaal aan mezelf te denken. ‘Ik heb je hulp nodig, Christian. Jij bent de enige die door heeft gemaakt wat ik nu mee maak. Ik kan dit niet alleen stoppen’. ‘Er is niets of niemand die dit kan stoppen. Hoor je me?! Niemand’! Christian is niet langer meer rustig. Hij begint steeds harder te schreeuwen.

Chapter 1. Nachtmerrie

Gillend word ik wakker. Bram kijkt me aan met zijn oh-zo-bekende ongeruste blik. ‘Je hebt weer een nachtmerrie gehad, Alice’. Ik stap uit bed. Het is alsof mijn gezicht in brand staat. Ik heb het bloedheet. Ik loop naar de badkamer om mijn gezicht af te koelen met wat water. Een moment kijk ik in de spiegel. Mijn rode haren hangen wild langs mijn gezicht. Bram komt achter me staan en houdt me stevig vast. ‘Hij is dood, schatje. Je hoeft niet meer bang te zijn. Hij kan je geen pijn meer doen’. Met zijn prachtige bruine ogen probeert hij oogcontact te maken. Ik wend mijn blik af. Hij denkt dat ik nog steeds bang voor hem ben, maar in werkelijkheid ben ik bang voor het monster dat ik zelf ben geworden. Mijn dromen worden steeds gewelddadiger. Ik word steeds gewelddadiger. Ik spetter wat koud water in mijn gezicht. Bram bedoelt het goed, maar ik trek zijn toenadering op dit moment niet. Ik draai me om en ik kijk hem diep in zijn ogen aan. ‘Lieverd, ik moet even alleen zijn’. Brams gezichtsuitdrukking spreekt boekdelen. Hij begrijpt het niet. ‘Ik kan je nu toch niet alleen laten’? ‘Dit is juist het moment dat je me even alleen moet laten’, zucht ik. Ik maak me los uit zijn greep en loop zo snel mogelijk de badkamer uit. Ik voel zijn ogen in mijn rug prikken. Snel kleed ik me om en pak ik mijn telefoon. ‘Wat ga je doen’? Waarom stelt Bram altijd op het verkeerde moment de verkeerde vragen? Ik wil niet tegen hem liegen. Het lijkt wel of de leugens alleen maar op blijven stapelen. Zullen hij en ik ooit nog verder kunnen zoals we deden voor die noodlottige dag? Ik schud de nare gedachten van me af. Ik kan niet langer meer tegen hem liegen. Ik wil het niet meer. Ik kleed me stilzwijgend om. Bram probeert mijn hand vast te pakken. Ik sla zijn hand van me af. ‘Laat me verdomme een keer met rust, Bram! Ik word gek van je’, schreeuw ik met pijn in mijn stem. Ik haat het om hem verdriet te doen. Gefrustreerd loop ik de kamer uit, de trap af en uiteindelijk de voordeur uit. Als een speer loop ik naar mijn auto. Wat ben ik toch allemaal aan het doen? Langzaamaan begin ik mezelf steeds minder te begrijpen. Wat moet Bram wel niet van me denken? Hij verdient het niet dat ik zo tegen hem doe. Ik kan het hem ook niet uitleggen. Het laatste wat ik wil, is dat ik hem op wat voor manier dan ook in gevaar zal brengen. Terwijl ik op de automatische piloot naar de plaats van bestemming rijd, denk ik aan de nare droom. Iedere nacht droom ik exact hetzelfde. Iedere nacht word ik op exact hetzelfde moment gillend wakker, en altijd is Bram er om me op te vangen. Het breekt niet alleen mij op, maar ook Bram gaat er kapot aan om mij steeds zo te zien. Het is hem gelukkig nog niet opgevallen dat ik steeds om 2:22 uur gillend wakker word. Wat gebeurt er toch met me? In de droom komt steeds hetzelfde slachtoffer naar voren. Als een roofdier ren ik door de bossen. Ik verlies het slachtoffer nooit uit het oog. Doelgericht val ik de angstige man aan. Iedere nacht opnieuw. Ik stop de auto voor de leegstaande fabriek. Ik lijk wel gek dat ik hier zo diep in de nacht daadwerkelijk toegereden ben. Moet ik nu wel echt naar binnen wandelen en de confrontatie aangaan? Poeh, Alice… het is nu niet het moment om bang te zijn. Ik stap vol onzekerheden de auto uit en loop direct naar één van de ramen die al eerder door iemand opengebroken is. Ik klim door het raam naar binnen en stap de vervallen fabriekshal in. ‘Christian, ben je er’, schreeuw ik vragend. Ik krijg geen respons. ‘Ik weet dat je er bent, Christian’! Het kost mijn ogen moeite om aan het donker te wennen. In mijn droom kan ik misschien zo dapper zijn om iemand aan te vallen, maar op dit moment ben ik angstig. Dit was overduidelijk weer geen slim plan, maar slim zijn is de laatste tijd toch al niet een eigenschap die vaak naar voren komt bij mij. Mijn leven heeft sinds die bewuste dag een heel nare en aparte wending aangenomen. Dat ik dan toch uiteindelijk daadwerkelijk naar binnen ben geklommen is slechts een bevestiging dat mijn normale en veilige leventje van vroeger voor eeuwig voorbij is. Nog voordat ik me bewust kan worden van wat er aan de hand is heeft iemand me van achteren beslopen en me met zijn hand het zwijgen opgelegd.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑