Steeds vaker vraag ik me af of mama wel trots op mij is. Ik vraag me steeds vaker af of ik het wel goed heb gedaan, tijdens mama’s laatste dagen. Met name de avond, waarop ik uitgeput besloot een avondje thuis te gaan slapen, steekt me iedere keer opnieuw. Ik voel me schuldig. Héél schuldig. Niet alleen voor toen, maar ook voor de strijdkracht in mij om nu door te gaan… Ik snapte nooit hoe mensen zomaar door kunnen gaan als iemand die je liefhebt overlijdt, nu ben ik zelf het boegbeeld van ‘doorgaan’. 

Vanochtend, terwijl ik voor de Kerk aan het wachten was om naar binnen te gaan, zei een ouder tegen een andere ouder: 

‘We kunnen het niet aan om voor haar te zorgen. Ze heeft 24 uur per dag zorg nodig. Daarom moest moeder wel naar een hospice. Het liefst zou ze naar mijn zus gaan, maar dat lukt ons gewoon niet’. 

Het waren deze woorden die me pas doen beseffen dat wat ik voor mijn moeder heb gedaan wellicht helemaal niet zo vanzelfsprekend is als dat ik dacht. Niet iedereen kan hun moeder verzorgen terwijl ze langzaam verandert in alles waarvan je hoopt dat het haar bespaart zou blijven. Niet iedereen lukt het om nachtenlang wakker te blijven om hun moeder over haar rug te wrijven, op te merken dat hun moeder in de war raakt, hen soms niet meer herkent, hun moeder’s pampers te verschonen, het gereutel aan te horen, en uiteindelijk hun moeder te zien sterven. Niet iedereen lukt het om hun moeder te verfrissen en aan te kleden nadat ze is overleden. Ik heb alles wat ik in me had gegeven voor mijn moeder. Ik heb alles gedaan met alle liefde die ik in me had. En mama weet dat. Ik weet het zeker: mama voelde het. 

Nu ik ein-de-lijk weer eens naar de Kerk ben geweest, weet ik ook waarom ik al zo lang voelde dat ik gewoon moest gaan. Ik zat er nog maar heel even toen mijn ogen vochtig werden. Ik voelde de warmte van mijn geloof, die ik al een tijdje verloren was. Ik voelde de kracht. Jezus leeft. Mama leeft.

Mama leeft. In mijn hart. In mijn gedachten. In mijn ziel.