Het is een mooie nacht, maar tegelijkertijd zo zwaar…

Ik lag net naast mama. Ze legde haar arm naast me neer, en ik pakte haar hand zachtjes vast. Opnieuw legde ze haar arm naast me neer. En opnieuw. En opnieuw..

Totdat ze zich met al haar kracht omdraaide. Ze legde haar arm om me heen. Ik knuffelde haar.

“Mama, je weet dat broertje, dochterlief en ik van je houden he”?
“Dat weet ik. Ik houd ook onwijs van jullie”.
“Dat weet ik, mam. Ik weet het. Maar weet ook dat het goed is zo. Je hoeft niet meer te vechten als je moe bent”.
“Ik wil niet meer vechten”.

Mama gaat opeens rechtop in bed zitten. Ze zegt dat ze naar de wc gaat. Daarna gaat ze weer liggen. Ik ben bang, oh zo bang, dat mama uit bed zal vallen. Ik leg haar zachtjes wat verder van de rand. Ik knip een lampje aan, zodat ik haar goed kan zien.

Ze doet haar troebele ogen wijd open. Ik zie dat haar handen stuiptrekkingen maken.

“Nog een paar weekjes en dan zijn we ervan af. (…) Dan hoef ik geen pijn meer te lijden. Jij bent dan toch ook wel blij voor mij”?
“Mama, ik had niets liever gewild dan jou oud te zien worden, maar ik wil niet dat je nog langer lijdt”.

Ze doet haar ogen dicht, en maakt met haar hand het gebaar dat ik moet komen.

“Kom, we moeten naar opa”, zegt ze. “Schiet op, anders komen we te laat”.
“Wil je naar opa”?
“Ja, het is toch donderdag? (…) Ik ga slapen. Welterusten vrouwke”.
“Welterusten mama”.

Met tranen in mijn ogen loop ik naar de woonkamer. Het laatste wat ik wil is haar belasten met mijn verdriet. Met mijn stille wens dat het maar een nachtmerrie is. Met mijn nog steeds voortdurende hoop dat dit nog goed komt, dat dit niet het einde is. Mijn verlangen om mama dichtbij me te houden. Het egoïsme in mij om mijn moeder niet te willen verliezen. Met mijn gebroken hart…

Ik hoor haar ademen, af en toe wat brabbelen. Oh mam, wat houd ik toch zielsveel van je…