Tijdens mijn wandeling door de meest duistere paden in mijn leven.
Was jij daar om mij de weg te wijzen naar het licht.
 
Terwijl ik in de spiegel een monster zag,
Was jij daar om mij te vertellen hoe bijzonder en mooi ik wel niet ben.
 
Toen ik wel honderden keren schreeuwde dat ik dom ben,
Was jij daar om keer op keer te laten zien dat ik slimmer ben dan dat ik dacht.
 
Tijdens mijn huilbuien waarop ik gilde dat ik een walgelijk mens ben zonder hart,
Was jij daar om mijn tranen te drogen.
 
Terwijl ik me martelde met alle middelen die ik maar had,
Kuste jij mijn littekens.
 
Jij vertelde dat het niet uitmaakte wat ik allemaal zei.
Het maakte jou niet uit wat ik allemaal verkeerd had gedaan.
Lieve schat, ik laat je toch echt never nooit meer gaan.