Dinsdagavond zat mama hier huilend aan de keukentafel. Ze had het maandagavond erg moeilijk. Ze is zó ontzettend bang. Ik wil helemaal niet dood, zegt ze met wanhoop in haar stem, Ik wil niet dat jullie erbij zijn als het zover is. Ik wil alleen gaan. Ik wrijf met mijn hand over haar rug. Ik hoop zo op een wonder, gaat ze verder. Ik vertel haar dat ik ook nog steeds hoop op een wonder. Ook benadruk ik dat ze me gewoon kan bellen als het niet goed met haar gaat. Dat ze zich niet bezwaard hoeft te voelen. Mama denkt aan iedereen, behalve aan zichzelf. Ze wilt niemand verdrietig maken. We hebben haar wensen besproken. We hebben gepraat. Over al haar angsten. Al haar verdriet. Mama, je bent er heel mijn leven voor mij geweest. Nu is het mijn beurt om er voor jou te zijn.

Als ik ’s avonds in mijn bed lig en mijn ogen heb gesloten, zie ik een grafkist. Snel doe ik mijn ogen weer open. Hier wil ik niet aan denken. Dood, ga uit mijn hoofd! Huilend lig ik nog voor uren in mijn bed. Moet ik iemand bellen? Nee, het is al laat. Mama, ik ben duidelijk een kind van jou.

Woensdagavond bel ik mijn moeder om een vreemde gebeurtenis met haar te delen. Héél even is het stil. Opeens hoor ik haar luide gelach. Het beste geluid sinds weken. Er verschijnt – nu ik dit schrijf – weer een glimlach op mijn gezicht. Voor minutenlang is ze niet gestopt met lachen. Het was het lachen waar je kippenvel van krijgt. Vandaag belde ik haar. Ze was bezig met de tuin op te knappen. Het is met geen pen te beschrijven hoe blij mij dat maakt. Heel pedagogisch onverantwoord gingen dochterlief en ik woensdagavond kamperen in de huiskamer. Dochterlief en ik hebben tot behoorlijk laat spelletjes gespeeld die we zelf verzonnen hebben. De tranen rolden over mijn wangen. Niet van verdriet deze keer, maar van het lachen. Ik heb gelachen totdat ik er buikpijn van kreeg.  Deze kleine dingetjes zijn de reden waarom ik niet opgeef. Ik ga door tot het bittere eind, totdat ik niet meer kan. Ik ga strijden. Voor haar. Voor mijn dochter. Voor mezelf.

Na mijn moeders diagnose ben ik zo boos geweest dat ik heel veel van mezelf ben verloren. Het naïeve en het lieve is er een beetje vanaf. Zoals ik al eerder aangaf vind ik het leven niet eerlijk. Sommigen krijgen alles over zich heen, terwijl anderen door het leven fietsen. Maar ik heb ook al veel geleerd. Het leven is niet eerlijk en juist dáárom moet je leven alsof iedere dag je laatste is. Ik wil mijn hart niet langer laten vergiftigen door boosheid, bitterheid, angst, jaloezie, spijt, schuldgevoelens et cetera. Ik wil iedere dag iets van mijn leven maken. Jarenlang had ik geen contact meer met een oude vriendin van me. Zij was altijd mijn steun en toeverlaat, maar – door omstandigheden – zijn we uit elkaar gegroeid. Ik wilde haar niet meer zien, omdat ik het gevoel had dat ze me had laten stikken. Vandaag stond de deur echter wijd open voor haar. Waarom zou ik boos op iemand blijven die ik iedere dag opnieuw weer heb gemist?

Langzaam voel ik me krachtiger worden. Ik merk het aan alle plannen die ik in mijn hoofd maak. Ik voel de drang naar anderen ondersteunen/begeleiden weer. Ik wil er weer voor anderen zijn. Ik wil weer iets betekenen. Mijn leven is misschien een – heel enge – rollercoaster, maar het mag niet voor niets zijn geweest.

Deze blog is in naam van jou,
Mijn heldin, mijn beste vriendin, mijn leven.
Maar vooral mijn moeder.

717c09cb8236bbb337c493334eaf6d1c