De Koran – ook wel Qur’an genoemd – spreekt met respect over de islamitische heilige boeken: de Thora (Tawrat), de Psalmen (Zaboer) en het Bijbelse Evangelie (Indjil), waardoor volgens de islam God in vroegere tijden tevens tot mensen heeft gesproken. Moslims geloven echter dat de Koran de laatste en beslissende openbaringen van God bevat. Zij geloven ook dat de andere heilige boeken veranderd en vervalst zijn. Door moslims worden joden en christenen de ‘De mensen van het boek’ genoemd en daar de Koran fragmentarisch is opgebouwd, geeft de Koran het advies om bij twijfel de Mensen van het Boek te raadplegen. De Koran heeft verschillende alternatieve namen: Foerqaan (openbaring), Kitaab (boek) en Moeshaf (boek, dat wil zeggen bladzijden in een kaft). In traditionele zin betekent Koran letterlijk ‘oplezing’. Dit dudt er op dat het niet alleen een tekst is die bestudeerd dient te worden, maar vooral ook moet worden gereciteerd. Koranrecitatie worden als een bijzondere vorm van kunst gezien en wordt onderwezen in madrassa’s – het Arabische woord voor school. De poëtische kwaliteit van de tekst komt pas tot uitdrukking middels een kundige recitatie. De Arabische taal leent zich bij uitstek voor poëzie en de de dichtkunst staat in Arabisch sprekende landen op een hoog niveau. Grote dichters worden er als helden vereerd. Soennitische moslims organiseren poëzie-bijeenkomsten (Mehfil-e-Naat) waar mensen Arabische gedichten en poëzie voordragen (Wikipedia).

Moslims geloven dat de inhoud van de Koran in het Arabisch geopenbaard werd. Arabisch is voor de islam dan ook de taal van de hemel (lughat al-sama). Moslims geloven dat het Arabisch van God komt en dat deze hemelse taal niet goed genoeg in een aardse taal kan worden omgezet. Moslims zien vertalingen van de Koran dan ook als minderwaardig en onbetrouwbaar. Tegenwoordig zijn echter de meeste moslims geen Arabieren en hebben zij niet het Arabisch als moedertaal. Veel niet-Arabische moslims leren wel Arabisch. Desalniettemin wordt er in de praktijk toch vaak een vertaling van Koran gehanteerd. Deze vertaling wordt beschouwd als een Koranuitleg en heeft dus niet de heilige status die de Arabische Koran wel heeft (Wikipedia).

In de Koran is te lezen dat de Heer een decreet uitvaardigt in zowel de ‘Wij’-vorm als in de ‘Ik’-vorm. Vooral in verzen die aandacht schenken aan het universum en de schepping komt de ‘Wij’-vorm vaak terug:

“Wij schiepen u”; “kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij deze hebben opgericht en versierd en hoe die geen enkele scheur heeft?”; “En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn ziel hem influistert. En Wij zijn dichter bij hem dan zijn halsslagader.”; “Wij hebben water uit de wolken nedergezonden.”

Structuur

De Koran is niet chronologisch ingedeeld. Uit de overleveringen leren we dat toen kalief Oethman ibn Affan rond 650 de teksten verzamelde, men de hoofdstukken – soera’s – min of meer volgens lengte heeft gerangschikt. De kortste soera omvat drie en de langste 286 ayat – verzen. De Koran bevat in totaal 114, soera’s bestaande uit 6226 ayat – afhankelijk van de indeling – die met uitzondering van soera Het Berouw allemaal beginnen met de aanhef Bismillah ar-Rahmaan ar-Rahiem (In de naam van God, de genadevolle, de Barmhartige). In de Koran komen, buiten eigennamen en geografische termen, zo’n 1875 verschillende woorden voor. De eerste soera met zeven ayat – Al Fatiha, de Opening – wordt de kern van de Koran genoemd. Alle soera’s hebben een naam, die vaak ontleend is aan een woord in het begin van de soera, zoals ‘De Opening’, ‘De Koe’ en ‘Het geslacht van de Imraan’. De naam van de soera hoeft niet de inhoud te dekken. De soera’s kunnen verder onderscheiden worden qua periode: de Mekkaanse soera’s, welke uit de eerste periode stammen toen Mohammed nog in Mekka woonde en slechts geestelijk leider was voor een beperkte aanhang, voordat hij naar Medina migreerde, en de tweede periode met de Mediaanse soera’s, na de Hidjra in Medina, waar Mohammed ook politiek leider werd. De soera’s uit de tweede periode hebben een duidelijk meer wettisch karakter en er werd een oorlogsdoctrine van een tegenaanval toegevoegd. De soera’s geopenbaard na de terugkeer in Mekka in 630 vallen tevens onder de Medinaanse soera’s (Wikipedia).

Inhoud

Mohammed leefde van circa 571 tot 632; vanaf 609 of 610 zou hij zijn openbaringen hebben gekregen. De inhoud van de Koran is volgens moslims in 23 jaar geopenbaard. Mohammed vertrok halverwege die periode, rond het jaar 622, met zijn volgelingen van Mekka naar Yathrib, de hidjra. Yathrib werd later Medina genoemd. De emigratie van Mekka naar Medina is tevens het begin van de islamitische jaartelling. De Koran is geschreven in naam van God, vaak in de directe rede, waarbij God in de eerste persoon meervoud spreekt, en soms in de indirecte rede, waarbij God met de derde persoon enkelvoud wordt aangeduid. De Koran bevat vermaningen en instructies voor moslims en vertellingen over voorgaande profeten en volken en hun lotgevallen. De Koran is een oproep tot onderwerping of overgave, islam, aan de ene God. De Koran benadrukt de mening dat de God van de islam dezelfde als de God van joden en christenen. Het woord Allah is geen eigennaam, mar de Arabische aanduiding voor de God. De toon van de openbaringen uit Medina verschilt van die uit Mekka. De Mekkaanse soera’s zijn kort en gaan vooral over de grootheid van God en zijn schepping, het oordeel op de Laatste dag en eht resultaat daarvan: het paradijs of de hel. De oproep tot bekering is al aanwezig maar nog tamelijk vrijblijvend. De Medinaanse soera’s, na de Hidjra zijn langer, leggen meer de nadruk op regelgeving en sociale ordening en bevatten oproepen tot bekering en bestrijdiging van de ‘ongelovigen’ – kafirs -, meer specifiek de bewoners van Mekka en andere stammen die de jonge moslimsgemeenschap (oemma) in haar eerste jaren van bestaan bedreigden. De teksten brengen soms verhalen uit de Bijbel in herinnering – zoals soera Jozaf (Yoesoef), die een deel van het boek Genesis hervertelt en, volgens sommige commentatoren, verwijst Zol-Qarnain (de twee-hoornige) in Soera De Spelonk 86 naar Alexander de Grote. Zoals de christelijke leer op sommige van de joodse leer over God afwijkt, zo wijkt de islamitische leer tevens af van de joodse én christelijke leer. De Koran maakt bijvoorbeeld op een aantal plaatsen melding van de profeet Isa ‘de zoon van Maryam’, maar ontkent de islam stellig dat deze de zoon van God is. De maagdelijke geboorte en het leven zonder zonde van Isa worden wel verteld. De joodse Messiasverwachting, zoals volgens de christenen vervuld door Jezus, komt in de Koran negen keer voor, zoals in soera Het Geslacht van Imraan 45 (Wikipedia).

Boodschap

De Koran brengt vier religieuze leerstukken telkenmale voor het voetlicht:

  • monotheïsme (tawhid, verwijzend naar de eenheid van God, het tegenovergestelde van het polytheïsme (shirk) waarbij anderen geassocieerd worden met God (onder andere soera De Koe 22, 255, soera Het Geslacht van Imraan 2, soera De Onderscheiding 2, soera De Opdrijving23);
  • profeetschap (al-nubuwwa), bevestiging van het profeetschap van Mohammed en dat de Koran het Woord van God is (onder andere soera De Onderscheiding 1, soera Het Geslacht van Imraan 31-32, soera De Bijen 64, soera De Vertelling 85-87, soera Ya Sin 2-3);
  • eschatologie(al-ma’ad), verwijzend naar de wederopstanding en de Dag des oordeels (Qiyamah) (onder andere soera De Kantelen 187, soera Ta Ha 124, soera Ya Sin 51, soera De Consultatie 9, soera Qaaf 42-43);
  • beloning en bestraffing (al-thawab wal-‘iqab), gewoonlijk weergegeven door een tegenstelling, waar de gelovigen beloond worden met de tuin (al-djenna), maar de ongelovigen worden bestraft met het vuur (al-nar) in het Hiernamaals (onder andere soera De Koe 81-82, soera De Byzantijnen 15-16, soera De Onoverkomelijke Gebeurtenis 88-94, soera Het Bedrog 9-10).

Thema’s

De Koran kent een aantal terugkerende thema’s:

  • de gelovigen (soera De Koe 227, soera Het Uitsluitende Bewijs 7);
  • de mensen van het Boek (soera De Koe 105, soera Het Geslacht van Imraan 64);
  • de polytheïsten (soera De Koe 105, soera Het Geslacht van Imraan 151);
  • de huichelaars (soera De Buit 49, soera Het Berouw 67);
  • de profeten (soera De Vrouwen 163, Soera De Donder 27, soera Ta Ha 13;
  • parabels over verschillende profeten (soera De Koe 40-93);
  • parabels over verschillende volkeren (soera Ya Sin 31, soera Vergever 82-83);
  • islamitische wetgeving (soera De Koe 226-237, soera De Vrouwen 19-25);
  • rechtvaardigheid (soera De Tafel 42, soera De Kantelen 29, soera De Binnenvertrekken 9);
  • het gevecht voor de zaak van God (soera De Koe 190, soera Het Berouw 38);
  • liefdadigheid (soera De Koe 254, soera Het Bedrog 16);
  • zorg voor wezen en behoeftigen (soera Het Berouw 60, soera De Bedevaart 28);
  • geduld (soera Het Geslacht van Imraan 200, soera De Namiddag 3);
  • gerechtigheid (soera Het Vee 153, soera De Kantelen 26)
  • vermaning en moraal (soera De Vrouwen 112, soera Het Vee 151-152);
  • respect voor de ouders (soera De Koe 83, soera Luqman 14);
  • participatie in het goede, verbod op het verkeerde (soera Het geslacht van Imraan 114, soera Het Berouw 112);
  • Almacht van God (soera De Gelovigen 12-22, soera Ya Sin 36-42).

Ontstaansgeschiedenis

Traditionele moslimgeleerden uit de islamitische wereld zijn het in grote lijnen eens over de ontstaans- en verspreidingsgeschiedenis van de Koran. Islamologen in de westerse wereld zetten echter een aantal kritische kanttekeningen bij de visie en enkele kritische geleerden vechten de door traditionele moslimgeleerden geclaimde eigenheid van de Koran aan. Johannes van Damascus, één van de persoonlijke adviseurs van de Syrische kalief, kende aan het begin van de achtste eeuw ten minste enkele van de tegenwoordige soera’s, wat blijkt uit zijn boek ‘Bron van Kennis’ – geschreven omstreeks 742/743. Hierin noemt hij de soera’s De Koe (2), De Vrouw (4) en De Tafel (5). Hij gaat ook in op een verhaal met de titel ‘De Kameel van God’, maar dat ontbreekt in de Koran (Wikipedia).

Traditionele visie

De islamitische overlevering stelt dat de Korantekst in de periode 610-632 in delen, beginnen met de Laylat al-Qadr, door de engel Djibriel aan Mohammed werd geopenbaard. De openbaringen werden vervolgens door zijn volgelingen door middel van recitatie uit het hoofd geleerd en fragmentarisch opgeschreven op stukken perkament, hout en bot. Er wordt aangenomen dat Mohammed analfabeet was en dus zelf lezen noch schrijven kon. Moslimgeleerden zijn het globaal eens over de chronologische volgorde van openbaring, maar van een aantal tekstgedeelten is onduidelijk wanneer zij precies zijn geopenbaard. Er bestaat een verschil van mening over welke passage als eerste werd geopenbaard. Een meerderheid van moslimgeleerden gaat ervan uit dat het de eerste vijf verzen van soera De Bloedklomp waren, die in de maand ramadan van het jaar 610 werden geopenbaard toen Mohammed zich in een grot had teruggetrokken. Anderen denken dat het de eerste twee verzen v an soera De Ommantelde waren, of de hele soera De Opening. De meeste islamologen onderschrijven de chronologie die door moslimgeleerden aan de diverse passages wordt toegekend. Bij de dood van Mohammed in 632 bestond er geen complete, schriftelijke Korantekst. De mondelinge overlevering was in de eerste jaren na Mohammeds dood nog uiterst belangrijk. Een groot aantal moslims, waaronder een groot aantal Hafiz, sneuvelde gedurende de Slag van Al-Yamaahah en dit was voor kalief Aboe Bakr aanleiding om de losse tekstfragmenten systematisch te laten verzamelen. Hij wees Zaid ibn Sabit, een van Mohammeds schrijvers, aan om dat te doen. Zaid stond bekend als degene die het meeste van de Koran uit zijn hoofd kende en hij had ook de meeste tekstfragmenten genoteerd. Zaid baseerde zijn werk in de eerste plaats op de beschikbare geschreven tekstfragmenten, die hij liet controleren door degenen die (delen van) de Koran uit hun hoofd kenden (qurra’, enk.qari’). Hij was vooral voor de juiste volgorde afhankelijk van de qurra’. Hij veranderde de tekst op geen enkele wijze en voegde er geen verklaringen of redactionele commentaren aan toe. De traditionele visie is dat de openbaringen van de Koran onder voorzitterschap van Zaid ibn Sabit werden opgeschreven door Omar ibn al-Chattab, Oethman ibn Affan, Ali ibn Aboe Talib,Talha ibn Oebeydullah, Sa`d ibn Abi Waqqas, Aboe Derda, Mikdad, Oebay ibn Kab, Aboe Moesa el-Eshari en Abdullah ibn Masud. Deze eerste volledige schriftelijke Koran (moeshaf-verzameling bladen) ging na de dood van Aboe Bakr naar Omar ibn al-Chattab en na diens dood naar zijn dochter Hafsa – die één van Mohammeds weduwen was. Mondeline overlevering werd desalniettemin nog lange tijd de belangrijkste manier om de Koran door te geven. Het proces van officiële codificatie van de verzamelde teksten begon onder de derde kalief Oethman ibn Affan (644-656). In verschillende centra van het uitdijende islamitische rijk ontstond onenigheid over de correcte manier van reciteren, wat de aanleiding voor de officiële codificatie was. Een commissie van vier onder leiding van Zaid ibn Sabit stelde in 651 de eerste officiële codex was. Diakritische tekens en klinkertekens ontbreken en hierdoor liet deze tekst de mogelijkheid van zeven door de moslimgemeenschap erkende leeswijzen (dialecten) open, zij het dat, waar onenigheid bestond, gekozen werd voor het dialect van Qoeraisj, de stam van Mohammed. Dit betrof vooral de uitspraak en zorgde slechts in beperkte mate voor verschillen in betekenis. Er werden vier, vijf of zes kopieën gemaakt die naar Mekka, Damascus, Basra en Koefa gestuurd werden. Oethman hield zelf één exemplaar. Afwijkende exemplaren werden vernietigd. Twee van deze Korans zouden nog bewaard zijn in Tasjkent – nar verluidt het persoonlijke exemplaar van Oethman) en in het Topkapi-museum in Istanbul. Efim A. Rezvan dateert de koran vanwege het gebruikte schrift (Kufic) rond het jaar 800. De mondelinge overlevering bleef, na deze Oethmaanse tekst, – vooral voor de juiste uitspraak – belangrijk. Er werden rond 700 diakritische puntjes aan toegevoegd om de medeklinkers van elkaar te onderscheiden en nog later werden ook nog klinkertekens toegevoegd. De huidige gedrukte Koranteksten zijn vrijwel alle gebaseerd op een in 1919 in Caïro gedrukte standaarduitgave (Wikipedia).

Andere visies

Er bestaan geheel verschillende visies op hoe de Koran precies tot stand is gekomen. De Koranvertaler Richard Bell hield zich bezig met het rangschikken van de verschillende soera’s onder de aanname dat Mohammed zelf zich met de verzameling en redactie bezig had gehouden. Naast het idee dat Mohammed zijn materiaal ontving door Goddelijke inspiratie, is wel geopperd dat Mohammeds openbaringen voortkwamen uit epileptische aanvallen. Er zijn tenslotte onderzoekers die op grond van archeologische vondsten en taalkundig onderzoek menen dat de Koran is ontstaan uit een verzameling geschriften uit de tijd vóór Mohammed, de meeste kritische onderzoekers noemen joodse (Thora) en christelijke (Evangelie) verhalen en een verzameling volksverhalen gesteld in een aan het Arabisch verwante taal, te weten het Aramees. Westerse oriëntalisten hebben gepoogd om de ontstaansgeschiedenis van de Koran te achterhalen en teksten met elkaar te vergelijken. Deze pogingen worden doorgaans bemoeilijkt door de traditionele islamitische opvatting dat de Koran vanaf het begin ongewijzigd is overgeleverd. Qadhi Isma’il Al-Akwa, directeur van de Jemenitische Antiquiteitenautoriteit, wist in 1979 een Duits insitituut te interesseren om een vondst uit 1972 van oude koranresten in Sana’a te onderzoeken, en vanaf 1981 wrd ook de Duitse geleerde Gerd Rüdiger Puin hierbij betrokken. De oude koranfragmenten bleken geschreven in Hidjazi, een zeldzame en, voor zover bekend, oudste vorm van Arabisch schrift. Puin vond allerlei verschillen met de moderne Koran, wat hem in Jemen niet in dank werd afgenomen. Parves Manzoor schreef in de Muslim World Book (1987) boos dat de onderzoekers erop uit waren het geloof van moslims in de Koran te ondermijnen. In nieuwe korans staat tot in details aangegeven hoe de tekst moet worden uitgesproken. De precisie beperkt zich niet tot klinkers en medeklinkers. Priegeltekentjes geven ook informatie over de voordracht van de tekst. In de door Puin gereconstueerde koran stonden deze tekens niet. Het staat vast dat de Koran een groot aantal traditionele gegevens en thema’s bevat die direct terug te voeren zijn op joodse en christelijke tradities, waaronder Apocriefen van het Nieuwe Testament en de Talmoed. Soera Jonas 94 verwijst expliciet naar de verhalen uit de eerdere Openbaringsgeschriften. Soera De Waardevolle Nacht wordt door een enkele vertaler in verband gebracht met de Kerstnacht. In de Koran zijn verhalen over bijbelse figuren als Jozef of Abraham terug te vinden in een vorm die sterk doet denken aan de joodse midrasj, een genre waarin de bijbelse legenden – die doorgaans veel aan de verbeelding overlaten – worden uitgebreid (Wikipedia).

Religieuze betekenis

De Koran is geen wetboek. De voornaamste stromingen in de islam – soennieten en sjiieten – hebben voor de uitleg van de Koran een traditie van geleerden, genaamde oelema, in het leven geroepen. Er bestaat een verzameling boeken, die samen de Ahadith (overleveringen) vormen. Daarin staan onder meer commentaren op de Koran die worden toegeschreven aan Mohammed, hoewel anderen van mening zijn dat deze afkomstig zijn van andere moslimtheologen. Bepaalde geschriften hebben meer waarde binnen de Hadith dan andere, afhankelijke van de richting binnen de islam. Niet iedereen binnen de islam is overtuigd van het nut en de autoriteit van de hadith teksten en oelemageleerden. Er zijn ook Koranisten, welke de autoriteit van deze tradities afwijzen. De Koran is voor belijdende moslims hét heilige boek, maar hierbij geldt echter de restrictie dat het boek die waarde alleen heeft in het Arabisch. Veel moslims vinden dat een vertaling een interpretatie is in een andere taal, en dus niet mag suggereren dat die ook daadwerkelijk de Qoer’an is. Moslims met een andere moedertaal dan het Arabisch zien zich dan ook voor de taak gesteld het boek in een voor hen vreemde taal te lezen. De Koran spreekt met respect over de Thora (Tawrat), de Psalmen (Zaboer) en de Bijbelse Evangelie (Indjil). De islam erkent de Tawrat als een heilig geschrift. Tawrat zou, volgens de islamitische leer, in de loop der eeuwen door mensenhanden veranderd zijn en zou niet meer duidelijk zijn wat oorspronkelijk Gods woord zou zijn geweest. De Koran wordt door moslims als het zuivere woord van God gezien. De Tawrat werd volgens de Koran geopenbaard aan Musa (Mozes), de Zaboer aan Dawud (Davind) en de Indjil aan Isa (Jezus). De Thora en de Psalmen worden in de Koran wel genoemd, maar de rest van de Tenach, de Profeten en Geschriften, worden niet genoemd. Voor de boeken van het Nieuwe Testament geldt iets dergelijks: de Koran vermeldt wel het Evangelie als openbaring aan Isa, maar niet de Brieven.Welk gedeelte oorspronkelijk door God geopenbaard is en welk gedeelte pas later is vervalst of toegevoegd is niet duidelijk, zoals eveneens blijkt uit de problematiek omtrent de Apocriefe boeken van de Bijbel. Verder is er nog sprake van verloren gegane Rollen, geopenbaard aan Ibrahim (Suhuh-i-Ibrahim). De Koran heeft in de hele islamitische wereld grote betekenis. Reeds ten tijde van kalief Omar (634-644) begon men koranscholen (madrasa’s) op te richten. Kinderen werd in deze scholen geleerd de Koran uit het hoofd te leren oftewel te reciteren. Los van de vraag of men de inhoud van de teksten begrijpt wordt betekenis toegekend aan het reciteren van de Koran in het Arabisch. Reciteren is voor moslims een belangrijk onderdeel van de godsdienst: aan de woorden van de Koran worden helende en beschermende eigenschappen toegekend. Koranrecitatie in het Arabisch maakt deel uit van de verplichte gebeden. Veel moslims zijn bedreven in tadjwied, dat is de Koran op een aangename, bijna melodieuze manier reciteren. De Koran wordt door moslims met respect behandeld. De Koran wordt bij voorkeur in een schone kamer op een zo hoog mogelijke plaats en boven andere boeken bewaard. De Koran wordt doorgaans niet op een tafel gelegd, omdat het gevaar bestaat dat er iets bovenop gelegd wordt. De Koran wordt niet op de grond gelegd, omdat deze als onrein wordt beschouwd. Er wordt een rituele wassing verricht alvorens men de Koran leest of aanraakt. Sommige orthodoxe moslims hebben er moeite mee als een niet-moslim de Koran leest of aanraakt (Wikipedia).

Abrogratie

Op de Koran zou in sommige gevallen abrogatie (naskh/verbetering/vervanging) worden toegepast, de regel dat in geval van schijnbare conflicten tussen verschillende teksten de jongste prevaleert en dus de oudere teniet doet. Sommige soera’s kunnen niet gemakkelijke gedateerd worden. Hierdoor kan niet met zekerheid worden bepaald welk van de conflicterende verzen van toepassing is. Koranwetenschappers hebben in dergelijke gevallen op basis van logisch redeneren en onderling overleg beslissingen genomen. De geleidelijke invoering van een verbod op wijn is één van de duidelijkste zaken hiervan. De duivelsverzen zouden wellicht middels een soortgelijke afschaffing uit de Koran zijn verdwenen. Koranisten geloven dat abrogatie van Koran verzen in geen geval mogelijk is. Zij geloven dat verzen in de Koran altijd als aanvulling op elkaar gezien moeten worden (in plaats van als vervanging), dat hadith teksten in geen geval de Koran kunnen vervangen of tegenspreken en dat de zogenaamde duivelsverzen een ongefundeerd verhaal zijn (Wikipedia).

Gevoelige thema’s

De Koran bevat een aantal passages die bij moslims zeer gevoelig liggen. Er bestaan verschillende meningen over Gods hand of handen en de manier waarop dit geïnterpreteerd moet worden. Sommigen zeggen van drie namen uit de Koran dat het profeten zijn, terwijl anderen zeggen dat het heiligen zijn. Binnen de islamitische gemeenschap kan en wordt uitgebreid gediscussieerd over de ware betekenis van passages uit de Koran. Westerse onderzoekers pakken het volkomen anders aan. De Koran bevat volgens niet-moslims een aantal teksten die moslims in niet-islamitische landen in de problemen zouden brengen als ze die geïnterpreteerde teksten in de praktijk zouden brengen. Exegese door middel van zelfstandige oordeelsvorming (tafsir bi-‘l-ra’y) wordt echter als onacceptabel beschouwd, op basis van een aantal argumenten. Zo wordt soera De Bijen 44 aangehaald waarin God de bevoegdheid om zaken uit te leggen bij Mohammed legt ‘zodat zij mogen nadenken’. Uit een Overlevering blijkt dat diegene die op basis van zijn menselijke opinie iets zegt over de Koran een plaats in de hel zal innemen. Wanneer mensen aan een aantal (zeer strenge eisen) voldoen is een zelfstandige oordeelsvorming mogelijk (Wikipedia).

Vrouwen

In soera De Vrouwen 34 wordt de verhouding tussen mannen en vrouwen vastgelegd: mannen zijn ‘zaakwaarnemers’ over de vrouwen en mogen hen ‘vermanen’ of zelfs ‘slaan’ als zij ‘ongezeglijkheid vrezen’. De Koran roept mannen wel op hun fysiek overwicht niet te benutten. Dit overwicht wordt als een feitelijkheid beschouwd die in goede banen moet worden geleid. Het mag alleen in extreme situaties aangewend worden, zoals bij de mogelijkheid van overspel. Vrouwen staan ook qua rechtspositie er in de Koran anders voor dan mannen. Het is vrouwen bijvoorbeeld niet toegestaan om een ‘ongelovige’ man te huwen, terwijl een moslimman wel met een ongelovige vrouw mag trouwen. Vrouwen ontvangen bij erfenissen minder dan mannen en in de rechtszaal is het getuigenis van een vrouw de helft waard van dat van een man: in soera De Koe (v.282) wordt gesteld dat twee vrouwen in de plaats van één man zullen getuigen voor het geval ‘één der twee vrouwen zich zou vergissen’. Mannen is het in principe toegestaan tot vier vrouwen te hebben, slavinnen niet meegerekend, terwijl iets dergelijks aan vrouwen niet toegestaan is. De hoofddoek is volgens verschillende interpretaties een verplichting voor de vrouwen, zoals vermeld in soera De Partijscharen:

O profeet! Zeg aan uw vrouwen en uw dochters en de vrouwen der gelovigen dat zij een gedeelte van haar omslagdoeken over haar (hoofd) laten hangen. Dit is beter, opdat zij mogen worden onderscheiden en niet lastig worden gevallen. En God is Vergevensgezind, Genadevol.

Soera Het Licht en verschillende Ahadith maken gewag van de verplichting tot het dragen van hoofddoeken en sluiers voor gelovige vrouwen. Maria (Maryam) is de enige vrouwennaam in de Koran. Zij wordt als zeer hoog aangeschreven, vanwege haar toewijding aan God. Haar naam wordt dertig keer genoemd. De andere vrouwen worden doorgaans als ‘de vrouw van …’ aangeduid (Wikipedia).

Andere religies

De Koran waarschuwt ongelovigen vele malen, doorgaans in zeer sterke bewoordingen. Afvalligen, afgodendienaars en onrechtdoeners worden tevens herhaaldelijk vermaand (Wikipedia).

Zeg: “Zal ik u vertellen over degenen wier straf bij God erger is dan dit? Dezen zijn het, die God heeft vervloekt en over wie Hij Zijn toorn heeft uitgestort en van wie Hij apen, zwijnen en duivelsdienaren heeft gemaakt. Dezen zijn inderdaad in een slechte toestand en ver van het rechte pad afgedwaald.” (soera De Tafel 60)

Soera De Ongelovigen rekent de Mekkaanse heidenen tot de ‘ongelovigen’. Deze soera eindigt met een aya die vaak wordt aangehaald met godsdienstvrijheid:

Derhalve voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst. (soera De Ongelovigen 6)

Joden en christenen worden de ‘mensen van het Boek’ genoemd. Zij worden zowel als medegelovigen gezien alsmede als tegenstander (Wikipedia).

Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen – wie onder hen ook in God en de laatste Dag geloven en goede daden verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren. (soera De Koe 62)

En twist met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze; doch zeg tegen de onrechtvaardigen: “Wij geloven in hetgeen ons is geopenbaard en hetgeen u is geopenbaard; en onze God en uw God is Eén; en aan Hem onderwerpen wij ons.” (soera De Spin 46)

Zeg: “O, mensen van het Boek, gij haat ons slechts, omdat wij in God geloven en in hetgeen ons is neergezonden en in hetgeen voordien was neergezonden of doordat de meesten van u ongehoorzaam zijn.” (soera De Tafel 59)

De openingssoera De Opening zou, volgens bepaalde tafsir, de zevende aya betrekking hebben op de joden op wie de toorn van God is gedaald en de christenen die dwalen (Wikipedia).

 Het pad degenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken – niet dat van hen, op wie toorn is neergedaald, noch dat der dwalenden.

De ‘Wij’-vorm in de Koran

In bijna alle bladzijden van de Koran is de ‘Wij’-vorm terug te lezen die persoonlijk gericht is aan God. De ‘Wij’-vorm wordt echter niet alleen gehanteerd om aandacht te schenken aan de creatie tekens zoals in bovenstaande verzen te lezen is. De ‘Wij’-vorm is tevens terug te lezen bij verzen als het gaat om het zenden van de profeten en de heilige boeken, ongelovige volkeren, de goddelijke geboden en verboden, en de dag des oordeels. God duidt zichzelf in de Koran keer op keer aan als de ‘Enige’, ‘zonder partner’, ‘als geen ander’. De vraag rijst dan ook waarom er dan de meervoudige ‘Wij’-vorm wordt gehanteerd naast de enkelvoudige ‘Ik’-vorm.  In het verleden is er niemand geweest die dit interpreteerden als het toekennen van deelgenoten aan God. In Mekka zijn er mensen die meerdere Goden aanbidden. Zij hebben tevens niet zo’n betekenis uit de ‘Wij’-vorm gehaald. De Eenheid van God wordt in de Koran onderricht in verzen waar de ‘Wij’-vorm wordt gehanteerd, hiervoor brengt de Koran bewijzen van de schepping (ayat-i afaki) en het innerlijke van de mens (ayat-i enfusi) om de Eenheid van God onomstotelijk te bewijzen, aldus moslims. Moslims die het aanspreekpunt zijn van Koran hebben eeuwenlang op een wijze en betekenisvolle manier – in de verschillende Koranexegeses – een antwoord proberen te geven op de vraag waarom er dan alsnog de ‘Wij’-vorm wordt gehanteerd. Door een verzameling van kennis in 1400 jaar tijd begrijpen moslims dat naast de ‘Ik’ en ‘Hij’-vorm, het bestaan van de ‘Wij’-vorm de meest kritische stappen opent in hun weg naar het opdoen van kennis over God. Als volgt:

”Hij heeft de schoonste namen”.

Om de schone namen van God te kennen, moeten moslims bepaalde vergelijkingen begrijpen om bepaalde stappen te zetten. Een van deze is de ehadiyet-vahidiyet vergelijking die beide manifesteren naar de eenheid van God. Vahidiyet manifesteert de eenheid van God in heel het universum en ehadiyet is de bijzondere weerspiegeling van de eenheid van God in alle schepsels in het universum. Moslims dienen God niet alleen als schepper van alles te kennen, maar ook de ehadiyet in de vahidiyet dienen zij te zien en te laten zien. Moslims moeten God kennen als de schepper van alles en Die al Zijn namen in al het geschapene manifesteert. Een andere belangrijke stap in het opdoen van kennis over God is, volgens moslims, de Jalaal-Jamaal vergelijking, oftewel de Goddelijke Majesteit en de Goddelijke schoonheid. Moslims zien in sommige van Gods schone namen de Jalaal en weer in andere namen de Jamaal gemanifesteerd. In de namen Al-Qahhaar, Al-Qadir, Al-Jabbar, Al-‘Aziz en Al’Azim zien moslims de Jalaal namen. In namen zoals Ar-Rahman, Ar-Rahim, Ar-Razzaaq, Al-Wadud is de Jamaal naam te zien. Moslims zijn tevens getuigen van veranderingen van de Jalaal en Jamaal manifestatie van Gods schone namen op de schepselen. Bij een bloem, vlinder, bij, fruit en baby zien zij Jamaal meer opvallen, terwijl bij bergen, oceanen, aardbeving, bliksem en donder Jalaal meer opvalt. Een sneeuwvlok beladen met Jamaal kan met het samensmelten van duizenden sneeuwvlokken wegen sluiten en het bedrijfsleven tot stilstand brengen. Hier lezen moslims Jamaal in Jalaal. Aan de andere kant zien we verheven bergen die als pinnen fungeren, die de aarde vasthoudt, een opslagplaats is voor water, de wind drijft en andere duizenden manifestaties van Jamaal en barmhartigheid herbergt. Hier lezen moslims Jalaal in Jamaal. God brengt volgens moslims Jalaal en Jamaal – barmhartigheid en verhevenheid, genade en bestraffing – samen en laat die twee elkaar ontmoeten ondanks dat deze tegenstrijdig lijken. Hiermee staan moslims op de treden waarop de mogelijkheid bestaat om Gods schone naam Kamal (de Excellentie) te vatten. Vervolgens is er nog een andere belangrijke stap om kennis op te doen over God, om Hem met Zijn namen, eigenschappen en manifestaties te kennen. Dit is de Uluhiyet-Rububiyet vergelijking. Uluhiyet (Goddelijkheid) verwerpt andere goden in het Koninkrijk van de Eeuwige Sultan. Rububiyet (Heerschappij) verwerpt andere goden in het ten uitvoer brengen van dingen. Vanuit de Goddelijkheid kant begrijpen moslims dat niets waardig is om aanbeden te worden naast God en dat God dus de enige God is die waardig is om aanbeden te worden. Vanuit de Heerschappij kant herkennen moslims elk van Zijn naam en de verschillende rangen van Zijn namen die zich manifesteren in verschillende kleuren, aspecten, afmetingen, verschijningen en wijsheden die verspreid zijn in de gehele schepping, oftewel wordt met Goddelijkheid uitgedrukt dat Gods Namen en Eigenschappen grenzeloos en geheelomvattend zijn, met Heerschappij – voor moslims om het te begrijpen – zien moslims elk van Zijn schone naam op verschillende niveaus manifesteren. Een voorbeeld hiervan luidt als volgt: terwijl het voor een filmmaker mogelijk is om een film – waarvan de montage gereed is – versneld in twee minuten te laten zien, is het voor mensen niet mogelijk om het onderwerp en de boodschap – door de beperkte capaciteit en waarneming van mensen – te begrijpen. Om deze reden wordt de film geleidelijk door mensen verspreid over een tijdsbestek van twee uur om het bericht en de boodschap te kunnen begrijpen. Op exact dezelfde manier ervaren we blindheid als onze ogen worden blootgesteld aan te veel licht. Het licht moet op een bepaald niveau zijn, willen mensen kunnen zien. God kan vier seizoenen tegerlijkertijd creëren, het hele universum in één keer scheppen en laten verdwijnen en al Zijn schone namen in één keer te manifesteren (Uluhiyet). Toch manifesteert God, aldus moslims, Zijn namen en eigenschappen geleidelijk aan in bepaalde gradaties en niveaus (Rububiyet) voor Zijn dienaren om er voor te zorgen dat zij deze kunnen herkennen en hiervan af weten. God spreekt in de Koran in de ‘Ik’-vorm voornamelijk als het gaat om zaken omtrent zichzelf (Uluhiyet) en in de ‘Wij’-vorm als het gaat omtrent Zijn daden en schepping (rububiyet). In de vers “Wij hebben de mens geschapen” worden moslims aangesproken. Hieropvolgend moeten moslims het volgende gaan realiseren:

“Dus als ik aandachtig kijk naar de schepping van de mens, dan zie ik daar de manifestatie van al Zijn schone namen, en kan ik de reflectie van al Zijn schone namen lezen in de menselijke (spiegel)”.

Mensen hebben een beperkte gehoor- en zichtvermogen. Op deze manier kunnen moslims alsnog begrijpen dat God de Alhorende, de Alziende is. Andere schone namen kunnen moslims op deze manier vergelijken. Als zij bijvoorbeeld aangesproken worden door de vers “En Wij hebben de nacht en de dag gemaakt tot twee tekenen”, dan dienen zij op precies dezelfde manier de dag en nachts als volgt bezichtigen:

“Dus ik moet de dag en nacht als getuigen lezen die al Zijn namen op een hoogste niveau laten zien.”

Moslims worden aan de andere kant aangesproken door verzen als “Voorwaar, Wij hebben in waarheid het Boek voor de mensen aan jou gezonden”. Moslims moeten dan begrijpen dat de Koran, waarvan de verkondinging volgens hen een wonder is, voortgekomen is vanuit het hoogste niveau van Alle schone namen van God.

Wil je meer informatie? Lees dan ook de volgende blogs!