In de islamitische traditie is de Koran op vele manier gezien, gelezen, begrepen, gebruikt en misbruikt. Er zijn over de tijd heen, net zoals bij andere wereldreligies, verschillende officiële tradities ontstaan in de manier waarop de tekst in de Koran wordt uitgelegd. Deze tradities bepalen hoe de brontekst(en) gelezen en begrepen moeten worden. De exegese tradities zijn ontstaan vanuit verschillende theologische stromingen die op hun beurt weer zijn voortgevloeid vanuit de verschillende interpretaties van de Koran. De methoden die binnen deze exegese tradities worden gehanteerd hebben zowel als doel om de betekenis te zoeken via de analyse van onder andere de geschiedenis van de brontekst en de profeet Mohammed – via de grammatica, en intratextuele en historische-culturele woordenbetekenis – als betekenis creëren en begrenzen vanuit al opgezette leerstellingen die als onbetwistbaar worden beschouwd vanuit de islam, en vanuit tradities die claimen terug te gaan tot de profeet, de eerste generaties en de stichters en vormgevers van de respectievelijke theologische stroming. Hiermee wordt geprobeerd het theologische of politieke gelijk te bewijzen. In de islamitische traditie is de Koran zowel de bron van waaruit de islamitische samenleving haar kennis en wereldbeeld opbouwt als de grond waarin de islamitische tradities, leerstellingen en ideologieën worden geplant. De grondbeginselen bronnen zijn vanaf de eerste volgelingen van de profeet Mohammed tot aan de vroege middeleeuwen ontwikkeld. Hier is door de generaties hierna bijna niet van afgeweken (Mol, 2011).

De Arabisch-islamitische termen voor exegese zijn tafsīr –van het werkwoord fassara “iets verborgen ontdekken” – en taw’īl –van het werkwoord taawwala “terug keren naar het begin”. De eerste term komt eenmaal voor in Q. 25:33, en de tweede term in deze vorm zeventien keer, waarvan de belangrijkste Q. 3:7. Voor exegese werd in de eerste drie eeuwen voornamelijk de term tawil “Een vers toewijzen aan een bepaalde situatie” –, waarbij de letterlijke betekenis “eerste/originele toepassing” sterk naar voren komt, gehanteerd. In de Koran zelf wordt het gebruikt voor de interpretatie van dromen en verhalen (Q. 12:36/10) en de interpretatie van meerduidige en beeldsprakige verzen (Q. 3:7). Al-Kalbi (d. 69CE) – één van de vroege exegese geleerden – quote een traditie die wordt verbonden aan Ibn Abbas (d. 69CE) – een metgezel van de profeet:

“The Qur’ān was [revealed] in four aspects […]: tafsīr [the literal meaning?], which scholars know; Arabic with which the Arabs are acquinted; lawful and unlawful […], of which it is not permissible for people to be unaware; [and] ta’wil [the deeper meaning?] that only God knows”.

Deze quotatie toont aan dat in al-Kalbi’s tijd er in ieder geval in bepaalde groepen een onderscheid werd gemaakt tussen het gebruik van tafsīr en tawil. Er waren echter ook latere klassieke exegeten als al-Ṭabarī (d. 923CE) die de termen zonder onderscheid gebruikten. Rond het jaar 1000CE begon de demystieke leer in de islam – het ūfisme – te manifesteren als eigen stroming. Pas hierna werd tawil als specifieke term gebruikt voor esoterische interpretaties (āin) wat tegenovergesteld is aan exoterische interpraties (āhir ), en worden tafsīr en tawil in bijna alle stromingen gebruikt om letterlijke en op tradities gebaseerde exegese onderscheiden van mystieke en beeldsprakerige exegese (Mol, 2011).

De wetenschappen die rond de Koran (Ul ūm al-Qur’ān) ontstaan kristalliseren zich tussen de veertiende en zestiende eeuw. De grondbeginselen van de exegese (Uūl al-Tafsīr) is hier een onderdeel van en zet de voorwaarden van exegese neer zoals deze door bijna alle stromingen in de islam worden toegepast. De klassieke Sunni geleerde al-Shahrastānī (d. 1153CE0) – die zowel Sunnitische als Shi’itische leraren had en daardoor een interessante mix creëerde van beide theologieën en exegesemethoden – stelde deze voorwaarden aan een exegeet:

“Upon my life, the exegete must have a sound, first class knowledge of language, grammar and comprehension of the methods of [the Arabs’] figures of speech and the manners of their idioms, especially if he is a non-Arab. Next, he must follow the statements of the exegetes amongst the companions and successors, and take them from respected transmitters. Next, he has to audit traditions and investigate the dispositions of the traditionists, especially [in the case of] whichever of them pertain to the exegesis of the Qur’ān, so that he only takes them from the sunan and aī works relied upon by such specialists in prophetic traditions. So that all he comments on amongst the words and verses is based on authentic transmission, and an authentic report and account, not that he exercises independence in regard to it, by way of mere opinion.

[…]Like that are the occasioning causes of descent of the verses (asbāb al-nuzūl) […]that is only established through authentic traditions. […] As for what is possible to comment on, it is the externals of the scripture and its explicit texts, and whatever the verbal expressions exclusively allows. So if the exegete applied his mind and thought about it he would know that he had not violated the meaning of the expression linguistically and he had not really contradicted sense perception and reason. But that is not the case with exegesis of the Qur’ān through personal opinion”.

Ljamai geeft een soortelijke lijst en wijst op het belang van de kennis van Mekkaanse en Medinische gedeelten om een duidelijk beeld te krijgen van de bevelen en de geboden in de Koran die elkaar opvolgen en opheffen, kennis van de geloofsleer (al- Aqīda) met nadruk op het islamitisch monotheïsme en de zes geloofsleren van de islam, en de grondslagen van het islamitisch recht (al-Fiqh). Shahrastānī waarschuwt daarentegen voor het blind volgen van de geloofsleer van de eigen stroming met als beredenering dat dit de logische interpretatie van de tekst kan verstoren. Er gelden – na deze voorwaarden voor de exegeet – enkele voorwaarden van de te gebruiken bronnen voor de exegese: Intratextuele interpretatie waarbij de verschillende delen van de Koran elkaar verduidelijken (tafsīr a-Qur’ān bi-Qur’ān). Als dit niet van toepassing is, dan moeten mensen gebruik maken van de profetische tradities en handelingen (Ḥadīth en Sunna), aangezien de profeet de eerste exegeet en praktische theoloog van de Qur’ān is. Deze beslaan niet de gehele Koran, daarom moet er gebruik worden gemaakt van de tradities van de metgezellen en hun volgers die het dichtste bij de profeet en het moment van openbaring hebben gestaan (Mol, 2011).

Deze grondbeginselen en leerstellingen (het niet-geschapen zijn van de openbaring) die de Koran zijn gaan omringen sinds de middeleeuwen, worden tot op de dag van vandaag door de meerderheid van de moslims aangehangen. De benadering van de Koran bepaalt ook welke boodschap eruit wordt gehaald vanuit de samenleving. Als er geen nieuwe benaderingen zijn, dan zal de samenleving vast blijven zitten in oude wereldbeelden. Het is om deze reden dan ook van belang om zowel de grondbeginselen en de leerstellingen te deconstrueren om een nieuwe benadering te construeren die past bij de samenleving van nu (Mol, 2011).